Reactie KAS BANK op commotie rond pensioenfondsen

Continuïteit pensioenfondsen ingehaald door lage rente?

Hier volgt de reactie van bestuursvoorzitter Albert Röell op het in de media geschetste beeld dat pensioenfondsbesturen tekort schieten.

In de media bestaat een beeld dat pensioenfondsen hun zaakjes onvoldoende op orde hebben. Dat is niet terecht. In werkelijkheid zijn pensioenfondsbesturen volop bezig hun fondsen in de goede richting te sturen. Door de extreem lage lange rente dreigen zij de ingeslagen weg echter te moeten verlaten. KAS BANK pleit daarom voor drie concrete stappen om verder te gaan op de ingeslagen weg naar herstel.

KAS BANK verzorgt als onafhankelijke partij voor een groot deel van de Nederlandse pensioenfondsen de controle op de beleggingen en de onafhankelijke rapportage aan de toezichthouder. De beeldvorming dat pensioenfondsen niet professioneel zouden opereren wordt niet gestaafd door onze waarneming vanuit de praktijk. Pensioenfondsen zijn in de volle breedte bezig hun risicobeheer, governance en interne organisatie te optimaliseren. De aanbevelingen van de Commissie Frijns uit januari 2010 spelen hierin een belangrijke rol. Helaas dreigen zij te worden ingehaald door de extreem lage lange rente. De dekkingsgraad, de centrale variabele in een door de politiek voorgeschreven keurslijf, zakt daardoor onder het vereiste niveau.

Op deze variabele heeft het pensioenfondsbestuur echter geen invloed. Het is daarom unfair hen als groep te betichten van mismanagement. Ons inziens zijn de pensioenfondsen op de goede weg. Deze stelling kan worden onderbouwd aan de hand van de aanbevelingen vanuit de Commissie Frijns en het Pensioenakkoord tussen de sociale partners van afgelopen juni.

Het Defined Benefit stelsel (of toegezegde pensioenregeling) heeft het zwaar te verduren in Nederland. Dit stelsel heeft bestaan bij de gratie van een beleggingsbeleid dat gericht was op vermogensgroei en niet op bescherming van de dekkingsgraad. Vermogensgroei was mogelijk omdat de beroepsbevolking in een opbouwfase verkeerde. Nu wij overgaan op een vergrijzingsfase is ingrijpen in het pensioencontract onvermijdelijk. Daarover zijn ook de sociale partners het in grote lijnen eens.

Wat te doen? Om het collectieve karakter van ons pensioenstelsel en de daarbij behorende voordelen zoveel mogelijk te behouden zou het pensioencontract gesplitst kunnen worden in een collectief spaardeel en daarnaast een individueel uitkeringsdeel. Het collectieve spaardeel wordt dan belegd met zo min mogelijk verzekeringrisico’s en is gericht op optimalisatie van de opbrengsten. De koppeling loon/pensioenniveau wordt losgelaten. Factoren als een extreem lage rentestand of langlevenrisico beïnvloeden het beleggingsbeleid dan niet langer, doodeenvoudig omdat er geen toezegging is voor een gegarandeerd pensioen. Als de werknemer op enig moment met pensioen wil gaan, berekent het pensioenfonds hoeveel vermogen is opgespaard. Vervolgens biedt het als uitkering een lijfrente aan (eventueel in concurrentie met andere aanbieders). Is de opgespaarde pot in de ogen van de werknemer ontoereikend, dan kan hij besluiten om de pensionering uit te stellen en nog enkele jaren extra kapitaal op te bouwen.
Als de herdefiniëring van het pensioencontract op deze manier vorm krijgt kunnen pensioenfondsen zich concentreren op hun kerntaak, beleggen enerzijds en het administreren en verzorgen van uitkeringen anderzijds. Tegelijkertijd wordt daarmee recht gedaan aan de aanbeveling van de Commissie Frijns om duidelijkheid te geven over de verdeling van de risico’s binnen een fonds. Het beleggingsbeleid zal in de keuze voor haar risicoprofiel rekening ermee houden dat een werknemer het einde van zijn werkzame leven nadert en dus minder risico met het opgebouwde kapitaal moet worden genomen.

Wat betreft de tweede en derde aanbeveling van de Commissie Frijns, over de verbetering van de interne organisatie en de controle op uitbesteding van taken, constateert KAS BANK eveneens dat goede stappen worden gezet. De uitbesteding van taken wordt grondiger getoetst aan de eisen die DNB daaraan stelt. Veel meer dan voorheen wordt onderzocht of er geen sprake is van tegenstrijdige belangen bij adviseurs, managers en vermogensbeheerders. Het business model van pensioenfondsen verschuift daarmee langzaam naar ‘pure play’. Het pensioenfondsbestuur is in dat geval volledig verantwoordelijk voor de noodzakelijke checks and balances in zowel de interne als de externe bedrijfsvoering. Vormgeving van het beleggingsbeleid, bepalen van de benchmark, uitvoering van het beleid door vermogensbeheerders en controle en rapportage van de resultaten komen in strikt gescheiden handen te liggen.

Ook op het gebied van de governance, de vierde aanbeveling, is sprake van vooruitgang. Een complicerende factor is dat pensioenfondsbesturen uitvoerders zijn van het beleid van de sociale partners en de overheid, hetgeen hun autonome beleidsruimte beperkt.

Pensioenfondsbesturen zijn dus grosso modo op de goede weg. Voor een verdere voortgang is het naar onze mening van belang om: 1) op de korte termijn een (politiek) besluit te nemen over de wijze van waardering van de verplichtingen (in casu de te gebruiken rentevoet), 2) structureel vanuit het onlangs gesloten pensioenakkoord voort te gaan met het herdefiniëren van de aard van het pensioencontract in een collectief spaardeel en een individueel uitkeringendeel, en 3) door te gaan met het optimaliseren van de wijze waarop pensioenfondsen omgaan met de verschillende rollen en taken die zijzelf en hun externe adviseurs vervullen.

Zo blijft het brede draagvlak in de samenleving voor de pensioenfondsensector bestaan en wordt de continuïteit van het stelsel versterkt.

Albert Röell
Voorzitter RvB KAS BANK